De bange blanke man

maart 24, 2008

Sinds mijn laatste bijdrage is er veel te doen geweest rond discriminatie en rascisme.

Op 7 maart publiceerde het CERD (Committee on the elimination of racial discrimination) haar 2-jaarlijks rapport over de rascismebestrijding en het gelijke kansenbeleid in België.  De Vlaamse regering werd daarin op haar vingers getikt voor het bestaan van haar Wooncode die de toegang tot een sociale huurwoning koppelt aan de kennis van het Nederlands, minstens aan de bereidheid om Nederlands te leren. België werd aangemaand om erop toe te zien dat “taalvereisten niet leiden tot indirecte discriminatie van onderdanen en niet-onderdanen die geen Nederlands spreken op grond van hun nationale of etnische afkomst”.

Op 12 maart kwam de Advocaat-Generaal bij het Europese Hof van Justitie met zijn advies in de rechtzaak tussen het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Rascismebestrijding en de firma Feryn. Die laatste installeert kantelpoorten en was begin 2005 op zoek naar bijkomende monteurs. In een kranteninterview verklaarde één van haar directeuren dat ze evenwel geen Marokkanen zou aanwerven omdat “haar klanten hen niet thuis over de vloer willen zien komen”. Volgens de Advocaat-Generaal is er directe discriminatie wanneer iemand op grond van ras of etnische afstamming ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt of zou worden behandeld. Hij oordeelde dat de geviseerde uitlating een dergelijke discriminatie uitmaakte. Marokkanen zouden immers niet bij Feryn soliciteren omdat ze op voorhand weten dat ze toch niet zullen worden aangeworven omwille van hun afkomst. Aldus zou Feryn Marokkanen de facto uitsluiten van haar sollicatieproces en uiteindelijk van haar werkvloer. In de meeste gevallen valt het Hof van Justitie het advies van haar Advocaat-Generaal. 

Enkele dagen later zag Barack Obama zich verplicht een belangrijke toespraak te wijden aan het thema rassenverschillen en discriminatie. Hij lag immers onder vuur na controversiële uitspraken van zijn dominee. Die laatste had in zijn preken zijn woede geuit over de discriminatie van zwarte Amerikanen en de schuld voor de aanslagen op WTC torens gelegd bij Amerikaanse steun aan de onderdrukking van het Palestijnse volk. De details van de speech zal ik U onthouden maar het kwam erop neer dat we allemaal gelijk zijn.

Op 21 maart was het de jaarlijkse Internationale Dag ter bestrijding van rascisme en discriminatie. Op die dag had er in 1960 een schietincident plaats in het Zuid-Afrikaanse Sharpeville naar aanleiding van een vreedzame betoging tegen de zogenaamde “pasjeswetten” die de zwarten ertoe verplichten in bepaalde, door de blanke regering vastgelegde gebieden, te gaan wonen. Er vielen toen 69 doden en 180 gewonden.

En het voorbije weekend hield Nederland een nationale betoging tegen de anti-Islam film die Geert Wilders op het punt staat uit te brengen. Althans als hem dat lukt. Eerst zagen alle TV-zenders af van uitzending wegens te gevaarlijk en te controversiëel. Vervolgens zou de film op het internet worden gelanceerd, in combinatie met een speciale persvoorstelling in het bijzijn van Wilders himself. Ook dat plan ging niet door. De persvoorstelling werd afgeblazen omdat die wel eens gekken zou kunnen aantrekken en Wilders zelf voor de kosten van zijn beveiliging diende in te staan. Dat zou een dure affaire worden voor de zuinige Nederlander. De film zou dan maar enkel via een speciale site worden verspreid, tot eergisteren bekend geraakte dat ook de internet-host het niet meer zag zitten en de betrokken site van het net haalde. 

Hoe worstelen Europa en Amerika toch nog steeds met rassenverschillen en discriminatie. ”Doet open bange blanke man” zong Willem Vermandere nochtans al 10 jaar geleden. Het is dan ook een ware verademing om in Tanzania te wonen waar iedereen harmonieus samenleeft, waar er van etnische twisten geen sprake is en waar niemand wordt gediscrimeerd … althans zo dacht ik toch.

Tot mijn Tanzaniaanse collega Joy me vertelde hoe ze 2 weken geleden de toegang werd ontzegd tot het chique restaurant Karambesi, gelegen in Sea Cliff village, een soort shopping center op het uiterste puntje van de residentiële (lees banke) buurt van Dar es Salaam. Ze had in het restaurant afgesproken met een Engelse vriend en was een paar minuten te laat. Aan de ingang van de shopping center werd ze tegengehouden door een aantal beveilingsagenten die wouden weten waar ze heen ging. “The Karambesi”, antwoordde ze gehaast. “Sorry, we can’t let you through” was de repliek. “What? Why not?”. “We can’t, the Indian owner of the restaurant doesn’t allow us”. “What?”. “We have strict orders, black women do not get in alone. Only in the company of white or Indian men, we let them in”. Joy was razend en belde haar Engelse vriend die in het restaurant al op haar zat te wachten. Hij kwam naar buiten en, in het gezelschap van haar blanke man, werd Joy alsnog tot het restaurant toegelaten. Dat hadden ze beter niet gedaan. De oren van de dienstdoende manager suizen nog, zijn duizenden verontschuldigingen over het ongelukkige misverstand ten spijt.

Een geïsoleerd geval? Blijkbaar niet. In diezelfde week had een andere collega, de Duitse en zeer blanke Susanne, afgesproken met twee Tanzaniaanse vrienden. Plaats van de ontmoeting: de exclusive, members-only Patel Club in het zakendistrict van Dar es Salaam… die weliswaar ook niet-leden toelaat tegen betaling van een kleine dagbijdrage. Uiteraard stipt op tijd besloot Susanne in de club op haar vrienden te wachten. Die kwamen echter niet opdagen … 10 minuten, 15 minuten, 25 minuten … zelfs naar Tanzaniaanse normen ben je dan al stilletjes aan te laat. Tot de deurwachter haar kwam vertellen dat er aan de ingang 2 mannen stonden die beweerden met haar een afspraak te hebben maar die niet binnen konden worden gelaten. Susanne dacht dat de cover charge het probleem was en kwam naar buiten om dat voor hen te betalen. Daar had het echter niets mee te maken. “The Indian owner simply does not want black customers in the club” werd Susanne aan de ingang verteld. Hallucinant … in een land waar 99,5% van de bevolking zwart is en het voltallige personeel van de club dat nota bene ook is. Goed genoeg dus om het blanke en Indische clienteel te bedienen, om de afwas te doen en om de vuilbakken buiten te zetten … maar ze moeten er niet aan denken om zelf iets te komen drinken. Doet toch open bange Indische man!

Het ultieme voorbeeld van bange en onverdraagzame mensen werd deze week evenwel gegeven door onze Franse school Arthur Rimbaud. Die ligt op nog geen 500 meter van bij ons en Victor en Lucas zijn de enige leerlingen die met de fiets naar school gaan, in het gezelschap van onze tuinman Justin die meefietst. In het begin van het schooljaar hadden we al eens de opmerking gekregen dat Victor en Lucas onvoldoende langs de kant van de weg reden. We vonden dat wat overdreven omdat ze bewust een verkeersluwe omweg namen, met nauwelijks 3 à 4 auto´s op het gehele traject. Desalniettemin werd er sindsdien op gelet. Enkele weken geleden was er een nieuw incidentje toen één van die dikke 4×4´s vanuit zijn parkeerplaats aan de schoolpoort achteruit reed en de chauffeur Victor en Lucas, die net op dat moment achter de auto passeerden en die op hun fiets uiteraard lager zaten, pas op het laatste moment opmerkte.

Hierop kregen we van de schooldirectie een schriftelijke vermaning. Die begint zo: “Malgré plusieurs avertissements verbaux de notre part, nous vous rappelons que vous mettez en danger vos enfants en les autorisant régulièrement à se rendre à l’école et à partir de l’école à bicyclette accompagnés d’un de vos employés, peu soucieux de leur sécurité.” Wij brengen dus het leven van onze kinderen in gevaar door hen, onder begeleiding, naar school te laten fietsen. De brief vervolgt: “Trop souvent, ils manquent de se faire renverser par des véhicules de grande taille (type 4×4). De plus, nous recevons depuis la rentrée de septembre des réclamations de parents qui se trouvent confrontés à la crainte d’un accident involontaire et de la responsabilité morale qui en découlerait”. Maar al te vaak, worden onze oogappeltjes dus net niet omver gereden door grote jeeps, waarvan de bestuurders moeten leven met de angst om onvrijwillig een ongeval te veroorzaken en met de morele verantwoordelijkheid die daaruit zou volgen. Vandaar dat “nous vous demandons, dans l’intérêt de vos enfants et le respect des autres usagers de ne plus autoriser vos enfants à se rendre à l’école à bicyclette”. Met andere woorden, gelieve uit respect voor de potentiële doodrijders met hun dikke 4×4′s (en ook wel een beetje in het belang van onze kinderen) voortaan de kroost met de auto te komen afzetten. Een “school”voorbeeld van discriminatie, van de sterke tegenover de zwakke weggebruiker. Hallucinant ook, wetende dat de school evengoed een “groene week” organiseert ten voordele van het milieu en hamert op voldoende lichaamsbeweging… voor zover het natuurlijk de mentale rust van de gestelde heren en dames/papa’s en mama’s niet verstoort.

In “Mtwara Close” liep de spanning deze week hoog op. Victor heeft zijn eerste liefje, Emma, immers ingeruild voor een tweede, Ella. Van de 3 meisjes in de klas op 19 jongens, heeft Victor er dus al 2 van 3 rond zijn vinger gedraaid. Lucas keurt dat af. “Ik kan niet meer volgen, Victor, eerst Emma, nu Ella”. “Ja maar, Lucas, Emma was saai, Ella is leuk”. “Ik heb maar één liefje, Victor, en dat is mama”. Houden zo! Thuis staan we nog maar eens voor een dilemma. Onze nachtwaker Leivson wil een lening aangaan om een rijbewijs voor vrachtwagens te behalen. Wat moet hij echter met zo’n rijbewijs om ons huis te bewaken? Niets uiteraard. Het is ontegensprekelijk wel een extra troef om in de industrie aan de slag te gaan, of om chauffeur te worden, of wegenwerker… of iets anders, als het maar geen nachtwaker is. Onze werknemer vraagt ons dus om hem te helpen zodanig dat hij zich kan verbeteren maar tegelijk ons ook in de steek zal laten, in het slechtste geval van zodra hij zijn rijbewijs op zak heeft en vooraleer zijn lening is terugbetaald. Doen? Kiezen we voor ons eigen belang of denken we aan Leivson (een andere bewaker is nu ook niet zo moeilijk te vinden, zeker)? Kijk volgende week naar “Mwtara Close”.

Groeten, Karel

De Kilimanjaro (halve) marathon

maart 9, 2008

In november 2006 hoorde ik voor het eerst van de Kilimanjaro marathon: eerst 20 km door en rond Moshi, vervolgens 10,5 km Afrika’s hoogste berg op (hoogteverschil >300m) en er langs hetzelfde stuk weer af, om te finishen in het vervallen sportstadion van Moshi.  Volgens een aantal loopsites een “extreme” marathon omwille van de warmte, de hoogte en het parcours… maar ook een hele mooie dankzij de Afrikaanse sfeer en de betoverende Kilimanjarotop die, als de bewolking het toelaat, boven de weg uittorent. Ook veruit de belangrijkste loopwedstrijd in Oost-Afrika, getuige daarvan het deelnemersveld met heel wat Tanzaniaanse en Keniaanse toplopers in voorbereiding op de Olympische spelen en andere wereldkampioenschappen en het prijzengeld van bijna 10.000 dollar.

Die wedstrijd dus wou ik eigenlijk vorig jaar al lopen… of zijn minst de helft ervan, de Kilimanjaro halve marathon. Die slaat de 20 km rond Moshi over en beperkt zich tot de 21,2 km op en af de Kili. Al drieënhalve maand had ik getraind toen ik, 3 weken vóór de wedstrijd vernam, dat ik de dag nà de wedstrijd in Londen moest zijn voor een arbitrage en dat ik dus de dag van de wedstrijd op het vliegtuig moest zitten. Daar ging mijn deelname. Het werd nog pijnlijker toen de route naar Londen boven de Kili bleek te liggen en de piloot ons daar enthusiast attent op maakte. Als een bende kleine kinderen zat iedereen met zijn neus tegen het venster gedrukt, behalve ik. Mijn rolluiken waren dicht, kutberg. Op de dag dat ik vernam dat ik naar Londen moest en dus de wedstrijd niet kon lopen, ben ik gestopt met lopen en sporten tout cours… gedurende 3 maanden, genoeg om 10 kilo bij te komen. 

Aangezien ik niet meer in mijn kostuums kon en ik in Dar geen nieuwe Paul Smith, Prada of Hugo Boss kon vinden pikte ik in mei 2007 de draad weer op. Naarmate de kilo´s er weer afgingen en de conditie verbeterde zinde ik op wraak: ik moest en zou de snelste Belg in de 6-jarige geschiedenis van de Kilimanjaro halve marathon worden! Bij mijn eerste poging tot deelname zou dit geen probleem mogen zijn geweest. Tot dan toe had er immers nog nooit een Belg meegedaan. Gewoon finishen zou toen dus volstaan hebben om geschiedenis te schrijven. Maar het leven is ongenadig. In de editie van 2007 verschenen inderdaad 2 Belgen aan de start: ene Syl Arickx en een Godelieve Gehens. Beide liepen de wedstrijd uit: Syl werd 330ste in 2.24:23 en Godelieve 384ste in 2.37:23. Daar moest ik dus onder.

Begin oktober 2007 vatte ik mijn looptraining aan op basis van schema´s van kampioenenmaker Paul Van Den Bosch, ook gekend als trainer van Sven Nijs, Luc van Lierde en Marc Herremans. In de eerste weken 3,5 uur lopen, in de laatste weken tot 5,5 uren. Van 40 km naar 55 à 60 km per week. Vooral de trainingsomstandigheden hier maakten het zwaar. Elke dag opnieuw, meer dan 30°C en een vochtigheidsgraad boven de 90%, zelfs de beste hamam haalt dat niet. Buiten trainen was dan ook zo goed als ondraaglijk, tenzij je ´s morgens om 05.30 zou aanzetten… maar dan kwam ik meestal pas thuis, van kantoor uiteraard of een enkel keer van Q Bar of zo. Ik trainde dus altijd binnen, in de gym, op de loopband, zonder air-conditioning maar onder een plafondventilator … als ik tenminste het geluk had om één van de weinige machines te bemachtigen die net onder zo´n ding stonden. Maar zelfs dan was het meestal nog bloedheet, alsof mijn hersenen in een stoofpotje werden opgediend. Meermaals heb ik gedacht aan die ene scene in de film Hannibal Lector (het vervolg op Silence of the Lambs) waarin Anthony Hopkins de hersenen serveerde van zijn nog levende tafelgenoot. Halverwege de training dook ik dikwijls de douche in om af te koelen en tussendoor dronk ik gemakkelijk 3 liter water. Ook de meestal zeer slome Indiërs links en rechts van me werkten allesbehalve inspirerend, wandelend aan 3 of 4 km/u. Hetzelfde gold voor de TV’s die voor mijn neus gingen, de ene afgestemd op de CNN News, de andere op BBC World. Al die nieuwsuitzendingen, weerberichten en Bloomberg beurskoersen stuwen een mens vooruit, zeker wanneer je dan nog alleen maar naar de beeldjes kan kijken maar niet kan horen wat er wordt verteld. De luidsprekers in de gym zijn immers niet op het TV-circuit aangesloten maar op een soortement lokale Klara-zender. Ik verzin dit echt niet.

In topconditie en 13 kg vermagerd ben ik dan de laatste week voor de wedstrijd ingegaan. Tijdens deze week moest ik de training sterk afbouwen en veel koolhydraatrijke maaltijden eten. “Tapering” heet dat. Daardoor kan je het zogenaamde spierglycogeenniveau (de suikers in je spieren die tijdens het lopen de energie moeten leveren) tot 40% verhogen. Ik heb daarin misschien een beetje opdreven: 2 maal daags pasta, powerbars, bananen, sportdrankjes, etc… elke dag opnieuw. Resultaat: 3 kg bijgekomen in één week (die er al weer af zijn) en waarschijnlijk het hoogste glycogeenniveau van alle deelnemers.

Op donderdag ben ik naar Moshi vertrokken zodat ik al een beetje kon acclimatiseren. Bert, onze inwonende Nederlandse “adoptiezoon”, en Chantal, de fitste en snelste Tanzaniaanse uit mijn gym, reden mee. Op vrijdag gingen we naar het Keys Hotel om ons in te schrijven. We konden kiezen uit de hele marathon, de halve en een “Fun Run”, een rondje van 5 km door het stadscentrum van Moshi. Voor de hele marathon werden 250 inschrijvingen verwacht. Aan een tafeltje zat één dame om die te verwerken. Voor de halve marathon werden 5 keer meer inschrijvingen verwacht. Desalniettemin zat onder het bordje “Half marathon” ook maar één dame. Dat gold ook voor de “Fun Run”, één dame. Zij moest, net als alle vorige jaren, meer dan 3.000 deelnemers registeren. Dat heet Tanzaniaanse logika. Nadien gingen we met de auto het parcours verkennen. Na veel omwegen kwamen we uiteindelijk op de juiste weg terecht, zij het op 1 km van het hoogste punt waar we moesten keren. Op weg naar beneden stopte ik elke kilometer en nam ik notities over wat ik mijn achteruitkijkspiegel zag: een enkel stuk “vals plat”, meerdere stukken “stijl” maar de meeste “heel stijl”. Man, man, man … wat kwam ik hier zoeken? De moed zonk me in de schoenen. Een vriend van me, Michel Bonne, had me enkele maanden geleden nochthans gewaarschuwd: “Karel, je bent geen loper en je zal het ook nooit worden. Kruip toch gewoon in uwe zetel”. Hij had gelijk.

‘s Avonds besloten we ons over te geven aan het lokale nachtleven, het had toch geen zin meer. Nu Moshi by night is toch anders dan Dar es Salaam. Quasi geen toeristen, geen diplomatiek personeel, geen expats wegens een gebrek aan industrie en handel… wel heel veel blanke vrijwilligers en stagiairs, vooral Engelsen en Amerikanen. Prille twintigers die, vooraleer hun studies aan te vatten of net als onderdeel daarvan, hier de wereld komen verbeteren. Wijde broeken, JUST DID IT t-shirts (over het beklimmen van de Kili), lang haar, TEVA sandalen, kraaltjes hier en daar, Janis Joplin op de achtergrond, okselhaar, dromerige danspasjes, witte kantoenen BH’s, giechelen en tegelijk toch bezorgd kijken. Verzamelplaats bij uitstek van dit alles … de Glacier Inn. Ik stond erbij en had een déjà-vu van hier tot in Roemenië, bijna 20 jaar geleden, op bouwkamp met de VZW Bouworde. Niet dat we ernaar op zoeken waren, maar het viel toch vooral Bert op dat er nergens prostituees te bespeuren waren… of toch, we zijn er welgeteld eentje tegengekomen in disco La Liga… en we (vooal Bert uiteraard) herkenden haar nota bene. Ze kwam uit Dar en ze had voor een weekje haar territorium verlegd.

Op zaterdag gingen we terug naar het Keys Hotel om wat gekend volk uit Dar es Salaam tegen het lijf te lopen, om onze tegenstrevers te monsteren en omdat we eigenlijk niets anders te doen hadden. Het was er nog drukker dan vrijdag maar de tafelschikking was gelukkig ongewijzigd gebleven. Nieuw waren de vele kinderen die, inschrijvingspapier onder de arm, bij de blanke lopers 2.000 Tanzanian shilling (1,5 €) kwamen vragen om zich zogezegd ook te kunnen inschrijven. Het geld staken ze echter gewoon in hun zak waarna ze een tijdje uit beeld verdwenen. Als er zich een nieuwe lading lopers kwam aanbieden kwamen ze weer tevoorschijn en herhaalden ze hun truuckje. We gingen ook opnieuw het parcours verkennen, deze keer vanaf de voet van de berg. Ik nam opnieuw notities, in de hoop dat die mijn vaststellingen van de dag voordien zouden tegenspreken. Niet dus. Ik noteerde: 0-1,5 VP (vals plat); 1,5-2,5 HS (heel stijl); 2,5-3 VP; 3-4 HS; 4-5 S (stijl); 5-6 HS; 6-7 S; 7-8 S; 8-9 VP en 9-10,5 HS.

Terug op mijn hotelkamer rekende ik uit hoeveel minuten ik, aan een bepaalde snelheid, over één kilometer zou doen: aan 12km/u 5 minuten, aan 11 km/u 5,5 minuten, enz. Aan 7,5 km/u ben ik gestopt. Trager wou ik in geen geval gaan. Vervolgens tekende ik het profiel van de beklimming uit, als ware het de koninginnerit van de Tour de France. Op basis daarvan stelde ik mijn wedstrijdschema op. Mijn objectief was om onder de 2 uur te duiken: 70 minuten naar boven en 50 minuten naar beneden. Ik wou immers een grote marge nemen op de 2.24:23 van Syl, stel je voor dat er dit jaar achter mijn rug nog andere Belgen zouden deelnemen die zich op die tijd hadden ingesteld. Bovendien zou ik, op basis van de resultaten van de voorbije jaren, met een tijd van 2 uur bij de eerste 10 à 15 muzungus of blanken eindigen. Anders dan in de 20 km van Brussel waarin je elke kilometer (met uitzondering van de laatste 3 naar de finish toe) in principe aan dezelfde snelheid kan lopen, bepaalde ik, gelet op de wisselende hellingsgraad, voor elke kilometer een andere richttijd. Al die tijden noteerde ik op een stukje tape dat ik op het polsbandje van mijn horloge kleefde. Nooit gedacht dat mijn spiektechnieken uit het middelbaar bij de Broeders van Liefde in Zelzate nog ergens zouden toe dienen. ‘s Avonds gingen we nog pasta eten en nadien vroeg naar bed.

Zondagochtend stond de wekker om 05.30. Voor het eerst sinds onze aankomst in Moshi, hing er geen bewolking rond de top en konden we de Kilimanjaro bewonderen. Yes! De twijfel van de laatste dagen verdween voor een embryonaal vertrouwen in een goede afloop. Om 6h15 kwamen we aan in het stadionnetje waar de start lag. Ik waande me op een andere planeet. Voor de hele en halve marathon (te herkennen aan de kleur van hun rugnummer) zag ik alleen maar ranke, magere en snelle mensen met benen niet breder dan mijn armen en een kopje niet groter dan een handbal. Op de korte opwarmingstrook werd ik langs alle kanten voorbij gespurt. Ik moest opnieuw aan Michel denken. Ik zag ook wel normale mensen en zelfs veel Big African mama’s maar die bleken allemaal de Fun Run te lopen.

De marathonlopers vertrokken om 06.30, wij om 07.00. Het ging vlot. Ik concentreerde me gewoon van kilometer naar kilometer en liep telkens 20 tot 30 seconden sneller dan mijn richttijd. Ik ging een paar keer dood maar bereikte het keerpunt toch in 62 minuten, 8 minuten voor op mijn schema. De winnaar van de wedstrijd was toen al een kwartiertje binnen. In de afdaling had ik op de stijlste stukken hevige rugpijn maar ik beet door. In de laatste 5 kilometer draaide ik de turbo helemaal open en haalde ik nog 4 blanken in. Vooral de laatste daarvan schonk me veel voldoening. Die had immers zijn persoonlijke haas bij, voorzien van een rugzakje met energy drinks, power bars en al. Ik was sterk maar ook dat is relatief. Zo werd ik op kilometer 18 ingehaald …door de eerste marathonlopers! Onvoorstelbaar. Net voor het binnenkomen van het stadion werd ik aangemoedigde door Bert, wiens Fun Run er uiteraard al lang op zat, en een tiental ingehuurde tienermeisjes … “Carlos, WE LOVE YOU!!!”. Ik trok mijn buik in, rechtte de rug, veegde de pijnlijke grijns van mijn gezicht, stak een (afgebot) tandje bij en liep met een geforceerde glimlach over de meet: 1 uur 55 minuten en 3 seconden. Ik schreef aldus geschiedenis en ik mag me minstens voor een jaar de snelste Belg in de geschiedenis van de Kilimajaro halve marathon noemen. Eat that… Michel Bonne!

We hebben nog een paar uurtjes in het stadion rondgehangen. Lauwe pils van hoofdsponsor Kililmanjaro Beer gedronken. De meer dan 2 uur durende prijsuitreiking meegemaakt. Chaos troef. Zo werd de aankondiging van de winnaars van de hele marathon verwisseld met deze van de halve. Het regende ook klachten over wie nu voor wie was geëindigd. Er werd wat getrokken en geduwd in de tent van de wedstrijdjury en er kwamen zelfs foto’s aan te pas, genomen langs het parcours door willekeurige supporters, om aan te tonen dat juffrouw X juffrouw Y wel degelijk had voorbij gelopen. Zeker voor de eerste 10 plaatsen, waaraan prijzengeld was verbonden, was dat van groot belang. Vooral de Kenianen voelden zich tekort gedaan, onterecht trouwens. Rond de middag gingen we naar ons hotel terug om uit te rusten. Ik heb echter geen oog dichtgedaan. Ik had nog te veel adrenaline en zuurstof in mijn lijf.

In eerste instantie bleef mijn officiele ranking uit. Het bleek dat een aantal lopers gefraudeerd hadden en daardoor waren gekwalificeerd. De wedstrijdjury deed er vervolgens een week over om het eindresultaat te bevestigen. Van de 867 deelemers haalden 777 de eindstreep. De laatste deed daar 4:18:44 over, de eerste 1.04:54. Met mijn 1.55:03 eindigde ik 267ste overall en, wat mij betreft belangrijker want die Tanzainanen en Kenianen zijn echt wel hors categorie, 16de muzungu.   Ik ben nog steeds geen loper maar diegenen die mijn tijd willen verbeteren zullen toch verdomd snel moeten kunnen lopen.

Ondertussen stond de tijd in Mtwara Close natuurlijk ook niet stil. Zoals eerder al gemeld, vertrok housegirl no. 2 Gloria enkele weken geleden op zwangerschapsverlof. Zij werd vervangen door ene Jane die we eerlijkheidshalve hadden ingelicht over de mogelijk korte duur van haar tewerkstelling. Ze had daar alle begrip voor. Nog geen week later moest Jane al verstek geven. Ze was zogezegd van een trapje gevallen en zou enkele dagen buiten strijd zijn. Nog een paar dagen later stuurde ze een nieuw berichtje dat ze voor onbepaalde duur out zou zijn. Jane werd dus vervangen door Marie, nu al ons vierde meisje op die post in enkele maanden tijd. Ondertussen hebben we van een ander persoonslid de ware toedracht te horen gekregen: op het moment dat Jane bij ons begon had ze ook een andere aanbieding, een job voor het leven. Ze was er echter niet van overtuigd dat het ook een leuke werkplek zou zijn. Ze begon derhalve bij ons en verzon de tijdelijke onbeschikbaarheid om op die andere plek te gaan proefdraaien. In het geval dat zou tegenvallen, kon ze zichzelf op miraculeuze wijze genezen verklaren en terug bij ons aan de slag gaan. Niet slecht gezien, maar allesbehalve eerlijk ten aanzien van ons. We hebben haar laten weten dat we haar veel succes toewensen op haar nieuwe plek. Ook onze nieuwe tuinman Christopher maakte het deze week bont. Al maanden besteedden Leen en hooftuinman Justin veel tijd en moeite aan hun, met grote houten balken afgebakende, kruidentuin: rosemarijn, citroengras, munt, peterselie, basicilum. Ondertussen stond het al 40 cm hoog en volgens Leen “waren er al moederplanten en vele jonge scheuten”. Christopher heeft het echter niet zo begrepen op hoogpollig onkruid. Zich van geen kwaad bewust, heeft hij zich deze week ontdaan van deze doorn in zijn oog … de volledige kruidentuin gewied en ontdaan van alle wortels. Hij heeft degelijk werk geleverd, er rest alleen nog een dorre woestijn. Leen zit nog steeds stil in haar hoekje te snikken. Tenslotte is ook onze voormalige nanny en dievegge Grace terug opgedoken. In Mbeya, meer dan 800 km ten zuiden van Dar, net aan de Zambiaanse grens. We kregen een telefoontje van haar Zuid-Afrikaanse vriend. Dat zij hem voor 3.000.000 Tsh (2.500 €) had bestolen maar dat hij haar had kunnen achtervolgen en tegenhouden met het geld op zak, dat hij haar had overgedragen aan de politie en dat ze ondertussen daar ergens in de gevangenis zit. Ik ben al op de kaart aan het kijken hoe we daar het best geraken om haar eens een bezoekje te gaan brengen.

Groeten, Karel

De vierde macht

februari 15, 2008

Naast de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht, wordt de pers wel eens aangeduid als “de vierde macht”.  Deze speelt dezer dagen voluit haar rol. Zo is België, tot bloedens toe, al meerdere dagen in de ban van “De zestien is voor u”, de reconstructie door de Wetstraat-redactie van de Standaard van de (mislukte) regeringsformatie. Met enige schroom, reken ik mezelf en deze blog ook tot deze vierde macht. Ik kan de werkelijkheid immers niet langer negeren.  

Zo kondigde de Europese Unie, enkele dagen nadat ik via dit medium het gebrek aan internationale belangstelling had aangeklaagd voor het vluchtelingenprobleem in de Centraal Afrikaanse Republiek, de grootste militaire operatie uit haar bestaan aan. De EU stuurt eerstdaags vredestroepen naar de CAR en Tsjaad ter bescherming van de vluchtelingen en ze pompt nog eens 300 miljoen euro ontwikkelingshulp in het gebied. Een pluim op mijn hoed, denk ik stilletjes. Toeval? Helemaal niet. Ik geef U een ander voorbeeld. 

Drie weken geleden kloeg ik onder de titel “The ugly face of Africa” het fenomeen corruptie aan, in Afrika in het algemeen en in Tanzania in het bijzonder. De lokale pers heeft dit opgepikt en … pats, boem … deze week is de Tanzaniaanse regering gevallen over … inderdaad een nieuw corruptieschandaal. Aangezien het volgens mijn enkele Tanzaniaanse vrienden een historische gebeurtenis betreft, moet ik er dieper op ingaan.  

Aan de oorsprong liggen de electriciteitsproblemen die het land al jaren teisteren. Om dit verhaal een menselijk gezicht te geven en in de juiste context te plaatsen, eerst even dit. Vorige week vierde Mama Mumbeki haar afscheid na 30 jaar trouwe dienst als secretaresse op kantoor. Ze werd hiervoor bedankt met een stukje taart, een borrel met al haar collega’s en familie erbij … en een geschenk van het kantoor.  De Office Manager kondigde aan dat er op dat eigenste moment zonnepanelen in het huis van Mama Mumbeki werden geinstalleerd ter waarde van 2.400 USD. Mama Mumbeki begon te trillen op haar benen, de ogen schoten vol, overwelmd van emoties en dankbaarheid. Het was muisstil, een kippevelmoment … dat, en nu zijn we terug bij de les, het belang van electriciteit hier ten lande aantoont.     

Door het uitblijven van hevige regens in 2004 en 2005 en het gebrek onderhoud van de waterreservoirs, slaagden de Tanzaniaanse waterkrachtcentrales er begin 2006 niet meer in om de vereiste 500 megawatt electriciteit op te wekken. Een stevige rantsoenering, met in sommige streken slechts 6 uur of nog minder electriciteit per dag, was hiervan het gevolg.  Om dit tekort op te vangen schreef de regering een openbare aanbesteding uit waarbij de winnaar een contract van 6 maanden (later verlengd tot 1 jaar, nadien nog eens tot 2 jaar) in de wacht zou slepen om 100 megawatt “emergency power” te leveren. Totale waarde van het contract … 179 miljoen dollar. Er werden 30 criteria opgesteld waaraan de bieders moesten voldoen. Er boden zich 8 gegadigden aan maar geen enkel bod voldeed aan alle voorwaarden. Het beste schoot tekort op 7 punten, het tweede op 9, het derde op 12, enz. Het slechtste bod, afkomstig van ene Richmond Services Ltd., voldeed op 17 punten niet.  En U raadt het, Richmond kreeg uiteraard het miljoenencontract.  

De tot dan toe machteloze oppositiepartijen (20 zetels op 206 in het parlement) kregen hiervan lucht en schreeuwden, hierbij ondersteund door een aantal donorlanden, om een onafhankelijk onderzoek. Het gerucht ging immers dat een aantal Tanzaniaanse toppolitici achter Richmond zaten. Om de gemoederen te sussen bevool Eerste Minister Lowassa een onderzoek door het Prevention & Combatting of Corruption Bureau, het Tanzaniaanse anti-corruptie agentschap. Midden vorig jaar maakte het Bureau haar bevindingen bekend. Alles was correct verlopen, er was niets aan de hand.  Voor de Eerste Minister was hiermee de kous af. In het verleden, zou het verhaal hier zijn geëindigd. Een verleden waarbij een klein groepje toppolitici als voornaamste doel had zichzelf te verrijken en erin slaagde om elke vorm van kritiek binnen de eigen partij de mond te snoeren en de oppositie en de pers af te dreigen of om te kopen. Maar het verleden is niet meer.   

Een overweldigende meerderheid in het parlement nam geen genoegen met het rapport van haar eigen anti-corruptie agentschap en beval een nieuw, ditmaal parlementair, onderzoek.  Historisch. Dat de oppositie daarop aanstuurde is nog te begrijpen, maar dat dit initiatief werd gesteund door tal van parlementsleden van de regerende meerderheidspartij, goed wetende dat een aantal van hun topmannen daardoor in de problemen zouden geraken? Velen moeten geweten hebben wat er op komst was, er moet een verborgen agenda zijn geweest.  De kranten duiden dit vandaag als de groeiende maturiteit van de Tanzaniaanse democratie waarbij een jongere generatie politici niet meer aanvaardt dat enkelingen zich verrijken ten koste van het algemeen belang. De toekomst zal uitwijzen of hun bekommernissen werkelijk eerbaar zijn of dat ze handelen uit jaloezie of, erger nog, in de hoop zelf ook eens aan de vetpotten te kunnen zitten.  

Hoedanook, vorige week is het zogenaamde Richmond rapport in het parlement voorgesteld. Het was vernietigend voor Eerste Minister Lowassa (die hoofdaandeelhouder van Richmond bleek te zijn), de huidige én de toenmalige Minister van Water (die waarschijnlijk steekpenningen hebben gekregen), het hoofd van het anti-corruptie agenstchap en de procureur-generaal (die beiden op zijn minst incompetentie kunnen worden aangewreven). Hierop hebben de drie Ministers hun ontslag aangeboden en heeft President Kikwete dat ontslag aanvaard.  Dit zou toch een tweede kaakslag voor Kikwete’s partij en zijn leiderschap moeten zijn. Niet vergeten dat het corruptieschandaal bij de Nationale Bank van Tanzania en het daaropvolgend ontslag van Gouverneur Bellali (ook al een Kikwete mannetje) van vorige maand nog helemaal niet verteerd is en nog steeds alle voorpagina’s vult.  

Maar spindoctors bestaan blijkbaar ook in Tanzania. Als ‘”sterkst mogelijke signaal dat corruptie niet langer getolereerd wordt in dit land” kondigde President Kikwete vervolgens aan dat hij meteen ook alle andere ministers naar huis stuurde. Heel het land werd lyrisch over zoveel staatsmanschap, durf en doortastendheid. Wat Kikwete er wijselijk niet bij vertelde was dat de Grondwet automatisch voorziet in het ontslag van de voltallige regering wanneer haar Eerste Minister, om welke reden dan ook, aftreedt. Ook in de pers werd dit grotendeels doodgezwegen, ter meerdere eer en glorie van hun President.   

De laatste dagen was het dan uitkijken naar de aankondiging van de nieuwe regeringsploeg. In een eerste fase werd een nieuwe Eerste Minister aangesteld, ene Peter Pinda. Het blijkt een beroepsambtenaar te zijn die al jaren achter de schermen meedraait en bij het grote publiek onbekend is. Zijn aanduiding werd door de pers vrij positief, zij het lauwtjes onthaalt. De grote breuk met het verleden, de lokale versie van de Italiaanse Operatie Schone Handen zat er immers nog aan te komen. Welke Ministers zouden verdwijnen? Welke zouden mogen terugkomen en op welke departmenten? Wie zouden de nieuwkomers zijn, de Witte Ridders, en met hoeveel zouden ze zijn? Hoeveel Ministers zou de nieuwe regering hoedanook nog tellen? Er was immers veel kritiek op het huidige aantal… 61 Ministers… voor een land dat volgens UN cijfers tot  voor enkele jaren geleden het vierde armste ter wereld was! Dit enorme aantal, 29 Ministers en 32 (plaatsvervangende) Deputy Ministers, wordt doorgaans verantwoord door te wijzen op de omvang van het land en de moeilijke en tijdrovende verplaatsingen (waardoor Ministers dikwijls enige tijd afwezig zouden zijn en er dus veel vervangers moeten klaar staan). Wanneer dat niet wordt geloofd, worden gewezen op de etnische en religieuze diversiteit in het land en de gelijkheid tussen man en vrouw waarvan de regering dan een afspiegeling zou moeten zijn. In realiteit, wil men uiteraard zoveel mogelijk gasten aan de feestdis hebben.  

Zopas is de nieuwe ploeg voorgesteld. Peter Pinda I telt 47 ministers. Dit is volgens velen een belangrijke stap in de goede richting want toch al 14 ministers (of een voltallige kabinet Verhofstadt III) minder dan voorheen, anderen vinden 47 of 3,5 keer Verhofstadt III nog steeds veel te veel. Beide stellingen zijn verdedigbaar. Peter Pinda I telt 6 nieuwe gezichten. Voorstanders zien hierin een nieuwe wind en wijzen op de 17 namen die zijn verdwenen, voornamelijk politici die luidop in nog een aantal andere corruptieschandalen worden genoemd en politici die al 30 jaar aan de macht waren.  Critici vinden dit dan weer veel te weinig en wijzen op de 41 namen die wel mochten terugkomen, waaronder er een pak zitten die al meermaals hun incompetentie hebben bewezen of, erger nog, ook worden genoemd, zij het iets minder luid, in een aantal louche zaken.  Desondanks mogen zij blijven zitten.  

Samengevat, van een Operatie Schone Handen of een Vette Vis is er geen sprake. Het blijft bij pindanootjes, zeker hier. Overigens heeft de nieuwe regering aangekondigd dat ze alle grote overheidscontracten van de laatste jaren wil herbekijken en zonodig zal verbreken. Ik heb hen alvast de contactgegevens van Peter De Crem en Andre Flahaut doorgespeeld om eens van gedachten te wisselen.    Bon, U zal begrijpen dat omwille van deze prangende en historische politieke actualiteit de uitzending van Mtwara Close naar een latere datum wordt verplaatst. Het blijven boeiende tijden. Of wat dacht U van de komst van George Walker Bush, morgen, voor een 4-daags bezoek aan Tanzania? We gaan samen naar Q-Bar en Garden Bistro, zonder onze vrouwen uiteraard.  Ik zal daar in de mate van het mogelijke over berichten.  

Groeten, Karel        

Le concert des casseroles

januari 29, 2008

Op 6 november 2007 schreef ik onder de titel “Kwa na Kwa” over mijn bezoek aan de Centraal Afrikaanse Republiek. Ik eindigde als volgt: “Het was een boeiende trip geworden en de kans is reëel dat ik er nog heen zal moeten. Gewoontegetrouw zal ik daar uiteraard over berichten.” Belofte maakt schuld… en hoewel ik er niet meer naar toe ben gegaan, valt er heel wat te berichten.

Zoals het feit dat er op 21 december 2007 in de lokale krant “Les Collines de l”Oubangui” een editoriaal verscheen van de hand van hoofdredacteur Faustin Bambou waarin de Minister van Energie en de Minister van Buitenlandse Zaken ervan werden beschuldigd meer dan 10,5 miljoen € te hebben verduisterd. Deze som zou bestemd zijn geweest voor het betalen van een deel van het achterstallig loon waarop de Centraalafrikaanse ambtenaren nu al maanden op wachten en zou zijn betaald door Areva, een Franse bedrijf dat in de Republiek uraniummijnen ontgint. Precies in het kader van een geschil met betrekking tot die ontginning, was ik door de regering aangesteld om te onderhandelen met Areva.  Zou het echt toeval zijn dat ik op 24 december 2007 een brief van de gediskrediteerde Minister van Energie ontving waarin, zonder enige uitleg, een einde werd gesteld aan mijn mandaat?   

Hoedanook, het editoriaal lokte een storm van protest uit onder de betrokken ambtenaren en de bevolking in het algemeen en op 2 januari 2008 riepen de voornaamste vakbonden een nationale staking uit van 8 dagen. Hierop werd Faustin Bambou door de politie gearresteerd en door het openbaar ministerie vervolgd wegens “het aanzetten tot het verstoren van de vrede” en “het rebelleren tegen ‘s lands instellingen”. De Reporters Sans Frontieres en de lokale journalistenbond sprongen op de blokkades en riepen een 2-daagse persboycot uit.  Ondertussen werd ook de directeur van de nationale radio-omroep door het bevoegde Ministerie, zonder officiële reden, ontslagen en vervangen door… de commicatieverantwoordelijke van Kwa na Kwa, de politieke partij van President Bozize. De vakbonden verlengden op hun beurt de nationale staking en riepen Bangui uit tot “ville morte”. Het handelsleven viel stil, de scholen bleven dicht, de vervoersmaatschappijen reden niet. Gelukkig was er wel nog muziek, meer bepaald “un concert des casseroles”, een protestmars waarbij de deelnemers musiceerden op lege potten en pannen, symbool voor hun lege maag, bij gebrek aan geld en dus aan eten.

Uiteindelijk leidde al deze protesten op 18 januari 2008 tot het ontslag van de regering van Eerste Minister Elie Doté. Gisteren is een nieuwe ploeg aangesteld met daarin een aantal nieuwkomers en… uiteraard de beschuldigde Minister Van Energie. Gisteren is ook Faustin Bambou door de Correctionele Rechtbank van Bangui tot 6 maanden effectieve gevangenisstraf veroordeeld en tot betaling van 1 € schadevergoeding aan de betrokken ministers. Wie zegt nog dat justitie traag werkt? En o ja, men zou het nog vergeten, ondertussen is de veiligheidssituatie in het noorden van het land weer danig verslechterd. Er zouden weer meer dan 300.000 vluchtelingen zijn geteld. 

Zoals je kan vastellen, ben ik dit verhaal nu al enkele weken aan het volgen. Ik heb me in die period al meermaals afgevraagd wanneer de internationale pers daar eindelijk eens zou over berichten. Niet dus. Ondertussen weet ik wel alles over het liefdesleven van Sarkozy, over de cocainefeestjes van veldrijder Tom Van Noppen om zijn ontslag te vieren en over decadente champagnefeestjes op het Brusselse autosalon om 100.000 bezoekers minder en de geringe belangstelling voor de milieuvriendelijke auto’s te vieren. 

En nu we toch de weg van het lichte amusement zijn ingeslaan, tijd voor ”Mtwara Close”. Nadat het eventjes stil is geweest rond ons huispersoneel, was het deze week alle hens aan dek. Anna (voor de niet zo trouwe lezers, onze vaste babysit) kondigde, wenend, aan dat haar moeder ernstig ziek was en dat ze enkele dagen afwezig zou zijn om haar in het ziekenhuis te bezoeken. Nuru (huishoudster no. 1) kondigde, eveneens wenend, aan dat de broer van haar zus was overleden dat ze enkele dagen afwezig zou zijn om de begrafenis bij te wonen. En ook Gloria (huishoudster no. 2) begon te wenen, van blijdschap weliswaar, toen ze telefonisch de geboorte van haar zoontje en haar afwezigheid gedurende 3 maanden aankondigde. 

Iets minder blij zijn verdachten die dezer dagen in voorlopige hechtenis worden vastgehouden in de gevangenis van Dar es Salaam.  De twee vrachtwagens waarmee zij naar de rechtbank worden vervoerd om hun proces te kunnen bijwonen doen het immers niet meer. De ene was bij een ongeval betrokken en is in de gracht gereden. Het zal meerdere weken duren vooraleer hij is hersteld. De andere, tot op de draad versleten, is gewoon in panne gevallen en is zelfs naar Afrikaanse normen niet meer te herstellen. Alle strafzaken zijn nu voor onbepaalde duur uitgesteld.  

Tenslotte, las ik deze week in een editoriaal van de Tanzaniaanse krant The Guardian nog dé oplossing voor het aanslepende conflict in de Oost-Congolese Kivu streek. Aangezien dit de belangrijkste lokale krant is, ga ik ervan uit dat ook Minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht het heeft gelezen. Het stukje gaf duiding over de uitbuiting, het geweld en het banditisme dat die streek ook vandaag nog teistert en legde de schuld hiervoor bij de oude kolonisator, koning Leopold II, die er honderd jaar geleden immers precies dezelfde praktijken zou hebben op nagehouden.  De journalist besloot: “We conclude by saying that the problem with Congo lies in the existence of King Leopold’s ghost. Once this ghost is exorcised then Congo will become a haven of peace”. Spijtig genoeg is ook deze vlijmscherpe analyse niet door de internationale pers opgepikt. Gelukkig was uw Kuifje in Afrika wel alert.

Groeten, Karel.

The ugly face of Africa

januari 16, 2008

Zo heb ik het fenomeen “corruptie” ooit al weten omschrijven en de laatste weken was het hier alleen maar van dat.

Eerst was er de verkiezingsfraude in Kenia. Zittend president Kibaki zou de presidentsverkiezingen gewonnen hebben van oppostieleider Odinga terwijl de partij van deze laatste in de parlementsverkiezing (die gelijktijdig werd gehouden) de partij van Kibaki versloeg met 96 zetels tegen 36. Heel bizar was dat omdat Kibaki en Odinga ook de voorzitters zijn van hun respectievelijke partij en er dus vanuit mocht worden gegaan dat het resultaat van de parlements- en presidentsverkiezing in dezelfde lijn zou liggen. Het werd nog erger toen president Kibaki nauwelijks een uurtje na de bekendmaking van de uitslag al werd ingezworen, met alle belangrijke gasten daarop aanwezig, alsnog ze vooraf al waren opgetrommeld, verzekerd van de overwinning van Kibaki. De gevolgen zijn U bekend. Het verarmde deel van de bevolking kwam massaal op straat, gefrustreerd dat de rijke en corrupte Kibaki het had gehaald van de kandidaat van de verandering en de hoop op beterschap, Odinga, en werd door het leger en de politie terug naar huis geschoten en geknuppeld. Daarbovenop werd de onrust nog eens aangewakkerd door een tribaal, etnisch discours van de Luo’s (waartoe Odinga behoort en die ook wel eens aan de vetpotten – die de staat toch is – willen zitten) versus de Kikuyu’s (van Kibati). Zoals de geschiedenis leert zijn Afrikanen heel gevoelig voor dat soort retoriek. Net omdat er geen georganiseerde staatssteun bestaat in de vorm van sociale zekerheid of iets dergelijks, moeten zij in geval van moeilijkheden of tegenslagen een beroep doen op de mensen in hun onmiddellijke omgeving, in de eerste plaats hun familie, in de tweede plaats hun dorp, hun stam, hun etnische afkomst. Machtsbeluste politici appeleren graag aan die etnische, tribale ideniteit onder het mom van “stem voor mij want ik ben van jouw stam en dus te vertrouwen”. Ik heb Guy Verhofstadt of Jo Vandeurzen, daarentegen, nog nooit horen vragen om op hen te stemmen omdat ze Oost-Vlaming of Limburger waren. Geheel naast de kwestie maar een leuk weetje tussendoor over de Luo’s: voor hen is een begrafenis geen treurige aangelegenheid maar wel een geweldig sexfeest, de overleden stambroeder moet immers zo snel mogelijk worden vervangen door een nieuwe om aldus de getallensterkte van de stam op peil te houden… en daar beginnen ze aan op de begrafenis zelf.  Soit.   

Ondertussen voelt buurland Tanzania de gevolgen van de Keniaanse crisis. De veiligheid in het noorden komt in gedrang door de aanwezigheid van hulpbehoevende Keniaanse vluchtelingen. Een aantal producten die normaal uit Kenia worden ingevoerd worden schaars en dus duur. Het aantal toeristen daalt aangezien de trekpleisters Serengeti, de Ngorogorokrater en de Kilimanjaro tegen de Keniaanse grens liggen en dus vanuit Nairobi worden aangevoerd. Door de veiligheidsproblemen aldaar en een tekort aan brandstof op de luchthaven (waardoor er niet kan worden bijgetankt om terug te kunnen vertrekken) zijn vele vluchten op Nairobi echter geannuleerd. Er zijn grote vertragingen in de haven van Dar es Salaam die de toestroom van containerschepen, die nu de haven van Mombassa vermijden, niet kan verwerken. En ga zo maar door. Velen hier houden hun hart vast nu de verzoeningsgesprekken tussen beide kampen zijn mislukt en de oppositie haar protestacties wil hervatten. Maar meer daarover bij de collega’s van Terzake, om 20.00 op Canvas.

Tanzania lijkt wat corruptie betreft niet te moeten onder doen voor haar buurland. Twee voorbeelden. Tot afschuw van de gehele nationale en zelfs internationale pers is deze week de hoofdredacteur van een krant in zijn kantoor door vijf gemaskerde mannen aangevallen met machetes en overgoten met een bijtend zuur. Het motief van de aanval zou de kritische pen van de man in kwestie zijn. Hij zou al menig corruptieschandaal aan de kaak heeft gesteld, voornamelijk in de lucratieve mijnindustrie, waarbij hij niet schuwde om namen te noemen. Daar moest maar eens einde aan komen. In dezelfde week raakte ook bekend dat president Kikwete gouverneur Bellali van de Tanzaniaanse Nationale Bank heeft ontslaan. Uit een onafhankelijke doorlichting van de Bank was immers gebleken dat de Bank 120 miljoen dollar had betaald aan een aantal bevriende bedrijven zonder dat daarvoor tegenprestaties waren geleverd. In de pers wordt het ontslag omschreven als een historische mijlpaal en als het ultieme bewijs dat het Tanzania menens is in de strijd tegen de corruptie. Ook de buitenlandse donoren zijn prompt op de kar gesprongen, de Verenigde Staten op kop. Zij hebben nu hun grootste hulpprogramma in de geschiedenis aangekondigd, meer dan 700 miljoen dollar zogenaamde “budget support” aan Tanzania. Dat soort steun zien de Afrikaanse leiders het liefst komen aangezien ze het geld naar eigen goeddunken en quasi zonder verantwoording kunnen besteden, dit in tegenstelling tot dedictated support waar het geld op aangeven van de donor verplicht voor dit of dat project moet worden aangewend. Met hun steun geven de Verenigde Staten een schouderklopje aan Kikwete en dus aan de gematigde krachten in de explosieve Oost-Afrikaanse regio. Tegelijk willen ze de toenemende invloed van China in de regio, dat hier op zoek is naar olievoorraden, mineralen en afzetmarkten daarvoor de lokale machtshebbers paait met grote infrastuctuurwerken, terugschroeven.  

Ook onze voormalige kolonie, Congo, kan er wat van. Daar werd deze week een militair veroordeeld voor de moord enkele jaren geleden op een tante van president Kabila. Op zich niets bijzonder ware het niet dat de dader tevens werd veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de familie van het slachtoffer van 36 miljoen dollar! Nog straffer wordt het nu blijkt dat de effectieve betaling van de schadevergoeding ten laste is gelegd van de Congolese staat aangezien deze volgens de rechter nalatig zou zijn geweest in de bescherming van de presidentiele familie. Of hoe de bankrekening van de familie Kabila en dus van president Kabila zelf, met een beetje hulp van het gerechtelijk apparaat en op schijnbaar volkomen legale wijze, met 36 miljoen dollar wordt gespijsd uit de Congolese staatskas.   

In “Mtwara Close” viel er deze week goed nieuws te melden. Vooreerst, werd onze client over de gehele lijn in het gelijk gesteld in een internationale arbitrage waarop ik vorig jaar zowat het gehele jaar heb gewerkt.  Het was voorpaginanieuws in heel wat Tanzaniaanse kranten en ook een aantal internationale nieuwsbronnen hebben het opgepikt. Verder, kan ik ook niet langer de invloed ontkennen die van mijn weblog uitgaat. Nadat ik enkele weken geleden het nieuws bracht over de onfortuinlijke patientenwissel in het MOI ziekenhuis zijn een aantal dokters ontslagen en is het slachtoffer met de pijnlijke knie (en sindsdien ook met een zeer pijnlijk hoofd) op kosten van Tanzaniaanse regering naar India gebracht voor verdere, deze keer hopelijke juiste, behandeling. Volgens de laatste berichten, zou het goed gaan met de man. En na mijn berichtgeving over de nieuwe minimumlonen in Tanzania, heeft de Minister van Arbeid beslist om het minimum van 150.000 Tsh, dat normaal van kracht ging op 1 januari, te herleiden tot 80.000 Tsh. De Tanzaniaanse werkgeversorganisaties zijn me zeer dankbaar, de vakbonden iets minder. Tenslotte, introduceerde een bevriend expatkoppel hier deze week het concept ”timesharing”, niet van een vakantiehuisje, wel van personeel. Toen Leen onze tuinier/bewaker/ashari Justin om een boodschap wou sturen, bleek de brave man daar geen tijd voor te hebben. Hij had immers een telefoontje gekregen van dat bevriend koppel met het verzoek om hun zoontje van school op te pikken en hem naar ons thuis te brengen. Daar moest hij er maar een beetje mee spelen (want wij waren er niet) en ze zouden hem later komen ophalen. Dit alles gebeurde zonder ons medeweten. Toen Leen zich daar later over bekloeg bij de bevriende moeder was het antwoord: ”yes but Leen, I don’t have have a problem with that… if you want to do something with your ashkari, just give me a call”. Volgens Leen de wereld op zijn kop: “No, Suzzy [fictieve naam om de betrokkene niet in verlegenheid te brengen], you don’t understand … it is our askari … so if you want to do something with our askari, just first give me a call … not the other way around”. Twee vrouwen die vechten om dezelfde man, een universieel thema, van alle tijden… ook hier in Tanzania.  

Groeten, Karel 

   

De Uluguru Mountains

december 27, 2007

Met de kerstperiode zijn het kantoor en de Belgische ambassade dicht, een ideale gelegenheid dus om Tanzania verder te ontdekken. Ons oog was gevallen op de Uluguru Mountains, een bergketen op ongeveer 200 km landinwaarts van Dar es Salaam met pieken tot boven de 2.600 m. Dit gebied ligt langs de Tanzam Highway die Tanzania verbindt met Zambia en die de toeristen toegang verschaft tot de belangrijkste safariparken in het zuiden van het land: Mikumi, Ruaha en Selous. Net daardoor worden de Uluguru Mountains schromelijk over het hoofd gezien, iedereen racet er langs om zo snel mogelijk de beestjes zien. Wij dus niet.   

Na een rit van ongeveer twee uur kwamen we vrijdagavond aan in Morogoro, met 200.000 inwoners de grootste stad van de regio en gelegen aan de voet van de bergen. We spraken af in ons hotel met Rose, de lokale verantwoordelijke van het Tanzaniaanse Wildlife and Conservation Ministry, en Charles, een officiële gids, om onze trip uit te stippelen. Van planning hadden ze echter geen kaas gegeten. Toen we hen vroegen naar de duur van een bepaalde tocht, nam deze in eerste instantie gemiddeld 3 uren in beslag. Of was het, bij nader inzien, toch geen 8 uren? En dekte dat nu alleen de tocht naar de bestemming of toch de totale reis, heen en terug? Het antwoord bleef uit. Ook de berekening van de juiste park en guide fees bleek een te zware bevalling waarover ik me dan maar heb ontfermd. Na anderhalf uur was alles toch geregeld en we spraken af voor de volgende morgen.

Charles was weliswaar op tijd maar enkel om ons mee te delen dat hij ons niet kon vergezellen wegens “urgent family matters”. James, die zogezegd ook een officiële gids was van het Wildlife and Conservation Ministry, zou het tijdens onze eerste tocht van hem overnemen. Door de hevige onweders de avond voordien moesten we afzien van ons plan om de Lupanga Peak (2.197 m) te beklimmen wegens te glad en dus te gevaarlijk. In de plaats trokken we naar Morningside, een plekje in het tropisch regenwoud waar de Duitsers ooit een berghoteltje hadden neergezet om in het weekend te komen jodelen en van het prachtige uitzicht over de Morogoro vallei te genieten. Met de onafhankelijkheid van Tanzania begin jaren 60 werden de Duitse kolonisten echter verdreven en sindsdien schiet er van het hotel niets meer over. Van het regenwoud trouwens ook niet, althans niet meer onder en rond Morningside. Dat gebied is vanaf de jaren ’70 door de lokale bevolking volledig ontbost op zoek naar vruchtbare landbouwgrond. Dat is hen goed gelukt, het padje naar Morningside leid je door één grote moestuin: overal ajuinen, wortels, selder, aardappelen, pruimen tomaten, paprikas, salade, appels, enz. In de zone boven Morningside is het woud wel intakt gebleven dankzij een recent opgezet Forest Conservation Programme maar tot zover ging onze wandeling niet. Tijdens de tocht viel gids James door de mand toen ik hem vroeg naar de slangen in de buurt. “Cobras” antwoordde hij beangstigend. “Spitting cobras?” vroeg ik, verwijzend naar de Naja Nigricollis, een van de gevaarlijkste en bekendste soorten die in Tanzania voorkomen en die hun gif tot 3 meter ver uitspuwen, meestal richting de ogen van hun slachtoffer. “Spitting?”, keek James me verbaasd aan … “no spitting sir, biting yes … biting cobras”. Hij had duidelijk nog nooit van de Naja Nigricollis gehoord.

In de namiddag werd duidelijk waarom. James was helemaal geen gids maar gewoon een maat van Charles die een beetje zijn weg kende in de bergen. Charles zelf was in de voormiddag met de door ons betaalde guide fees vertrokken naar Dar es Salaam, om er kerstfeest te vieren. En alhoewel iedereen daar toe het recht heeft, kon ik daar toch niet mee lachen. Onder het dreigement dat ik op maandag een strafklacht wegens diefstal zou neerleggen tegen Charles, haalde ik Rose uit haar middagdutje. We spraken opnieuw af in ons hotel waar ze ons, onder allerlei verontschuldigingen, haar tweede officiële gids kwam voorstellen, ene Aziz. Hij zou ons de komende 2 dagen vergezellen in plaats van Charles. Enige probleem… de man had niets van geld op zak (voor overnachting, eten enz.) en wij waren absoluut niet van plan om nog een keertje te betalen. Ook Rose had geen geld meer, de ontvangen park fees zouden immers reeds op de bankrekening van het ministerie zijn gedeponeerd. Yeah, sure! Aangezien wij niet over de brug kwamen ontstond er een geanimeerde discussie in het swahili tussen Rose en Aziz. Die laatste was duidelijk niet verteld dat wij alles al hadden betaald en dat Charles daarmee was gaan lopen. Ook Aziz kon er niet mee lachen. Gelukkig toverde Rose Jan Bardi’s gewijs nog 30.000 Tsh uit haar tas en konden we samen met Aziz naar onze volgende bestemming Nyandira vertrekken.

Dit dorpje ligt diep verscholen in de bergen en geldt als vertrekplaats voor de tocht naar het Lukwangule Plateau, een gras-, moeras- en veenvlakte op 2.500 m waar het noordelijke en het zuidelijke deel van de Ulugurus samenkomen. De rit erheen baarde me zorgen, zeer steil, zeer diepe afgronden, zeer smal en veel slechte stukken met grote, scherpe stenen waarop je je banden heel gemakkelijk kapot rijdt of die tegen de onderkant van de auto de radiator zo maar lek slaan. Gelukkig bleef ons dat allemaal bespaard. Met een flesje champagne die we gekoeld in de frigobox uit Dar es Salaam hadden meegenomen, speelden we in de vooravond nog een spelletje “manillen”. Om de stand bij te houden haalde ik uit het kaartendoosje een frommeltje papier dat er nog in zat van de vorige keer… het was een stukje krant “Scotsman” van 2 april 2003… in die periode waren we op stap in de Schotse Highlands en is Lucas verwekt. Als dat geen voorteken is. Dat moest gevierd worden… met een copieuze maaltijd… van boterhammen met choco, doorgespoeld met een likje Glennfidish whiskey.

Op zondagmorgen bleek ook Aziz zich vermenigvuldigd te hebben. Onze – in zijn eigen woorden “very professional” – gids had immers op eigen initiatief nog een lokale gids ingehuurd, Kulwa, kwestie van zeker niet verloren te lopen. Anders gesteld, Aziz zelf kende de ballen van waar we heen gingen. Met de auto reden we eerst naar Tchenzema, een gehucht 10 km verderop waar onze tocht zou beginnen. De weg er naar toe was opnieuw zeer steil. Niet verwonderlijk. De bergen waren er zeer hoog. “Up to eight hundred thousand meters” volgens onze gids. Dat leek me straf … “Aziz, you mean eight hundred meters right?”. Maar Aziz hield voet bij stuk… “no sir, very high,… yes eight hundred thousand meters”. De weg was bovendien zeer glad en vettig. Niet te verwonderen dus dat een in de modder vastgereden vrachtwagen en een busje een beetje verderop de weg blokkeerden. In plaats van terug te keren besloten we om de auto ter plekke, in een klein stukje bocht, net langs de afgrond, te parkeren. Ik bleef achter en Aziz, Kulwa en Leen liepen door naar het dorp om een geschikte kandidaat te zoeken om onze auto tijdens onze afwezigheid te bewaken. Na bijna anderhalf uur kwam ene Godfrey me aflossen, met een briefje van Leen in de hand ter bevestiging dat hij de uitverkorene was. Dat het zolang had geduurd, had te maken met het feit dat ze in het dorpje op zoek waren moeten gaan naar de dorpsoudste om uit te maken aan wie de bewakingsopdracht kon worden toevertrouwd. De brave man was echter niet te vinden, uiteindelijk bleek hij in de kerk te zitten. In al zijn wijsheid duidde hij de oudste zoon aan van de tweede oudste van het dorp, Godfrey dus. Met twee uur vertraging konden we uiteindelijk toch aan onze mars beginnen.

Het eerste deel liep langs smalle paadjes, de stijle bergflanken op, doorheen de akkers, langs allerlei terrasbouw. Kulwa nam de leiging en legde er een stevig tempo op. Aziz volgde als tweede… of beter volgde niet. Ongelooflijk, nog nooit mee gemaakt… in al die jaren reizen … onze berggids kon gewoon niet mee. Hij liep ons, puffend en zwetend, letterlijk voor de voeten. We staken hem voorbij en ik sommeerde Kulwa nog een tandje bij te steken. Ik heb Aziz er ongenadig afgelopen. Mijn ondertussen 8 weken doorgedreven looptraining, met 40 à 50 km per week, wierp duidelijk zijn vruchten af. Nog nooit was ik zo sterk in de bergen. Af en toe hielden we halt om op adem te komen en om Aziz toe te laten aan te sluiten… om vervolgens onmiddellijk terug te vertrekken. Ik geef toe… het was misschien een beetje gemeen maar van een professionele berggids mag je toch verwachten dat hij meekan met zijn groep? Bovendien was het een uitstekende uithoudingstraining met het oog op de Kilimanjaro (halve) marathon van 2 maart 2008.

We lieten de landbouwzone achter ons en trokken hogerop het Lukwangule Forest Reserve in, een ondoordringbaar stuk tropisch regenwoud waarin bijvoorbeeld de uiterst zeldzame Uluguru bush-strike, de Loveridge’s sunbird, de Mrs Moreau’s warbler en de Fullborn’s black boubou rondfladderen. Daar hadden onze gidsen echter geen boodschap aan, Kulwa had het druk om zo snel mogelijk boven en weer beneden te staan, Aziz had het druk om op de gladde rotsen, boomwortels en modderpoelen zijn evenwicht te behouden en niet nog meer, letterlijk, op zijn smoel te gaan. Na twee uur klauteren kwamen we boven… een kale rots van een paar meters groot die net boven de hoogste bomen uitkwam en die je een mooi panorama zou hebben gegeven indien het ondertussen in het dal niet zou gaan misten zijn. “The Lukwangule Plateau” kondigde Aziz niet zonder trots aan. Nou, nou… viel dat tegen. “So this is the Plateau, Aziz?” vroeg ik om toch maar zeker van te zijn… “Yes, sir, the Plateau”. Tja, dan was het maar zo. We aten en maakten ons op om terug te keren tot ik een beetje verder nog een kleine helling in de gaten kreeg. Benieuwd naar het uitzicht aan de andere kant, liep ik erop en erover … om een prachtige, groene, met bloemen bezaaide, glooiende alpenweide te ontdekken. Het Lukwangule Plateau, een stukje Zwitserland onvermoed en onbekend in Tanzania. Ik riep Aziz erbij die moest toegeven dat hij eigenlijk nog nooit de moeite had genomen om deze kant op te komen en die al die jaren zijn bezoekers dus eigenlijk de verkeerde plek had laten zien. Pijnlijk. Met een klein hartje en niet zonder vloeken, valpartijen en zere knieën keerden we terug naar het dal en onze auto.

Aangezien we alles veel sneller hadden gedaan dan verwacht en de voeten van Leen, vol met blaren, het niet meer toelieten om nog een ander tochtje in te lassen besloten we om onmiddellijk terug te rijden naar Dar es Salaam in plaats van te overnachten in Morogoro. Tijdens onze terugtocht viel onze fantastischze gids Azis in slaap. Ik mocht dus op eigen houtje proberen de bergen uit te geraken. Dat lukte. Eens in de buurt van Morogoro wou ik Aziz afzetten langs de hoofdbaan naar Dar es Salaam om aldus Morogoro stad zelf niet te hoeven binnenrijden. Aziz moest dan maar het laatste stukje tot thuis lopen of eventueel een busje nemen. Dat zag hij echter niet zitten… “my legs are dead, sir, I can’t walk anymore … please drop me at my place…”. Als mens van goeden ziele ging ik in op Azis’ laatste wens. Nog eens twee uur later stonden we goed en wel terug in Dar es Salaam.

Samengevat, het was een fantastisch weekend in een prachtig, goedkoop en onontgonnen stukje Tanzania dat veel meer aandacht verdient dan dat het krijgt. Anderzijds, waren de gidsen Charles en Aziz van het Wildlife and Conservation Ministry in het ene geval totaal onbetrouwbaar en in het andere totaal incompetent en onfit. Van Charles zullen de volgende bezoekers gelukkig geen last meer hebben aangezien hij op maandag door Rose, die echt wel uit het goede hout gesneden is, is ontslaan. Zij heeft mij verder verteld dat hij het ontvangen geld alsnog aan Aziz heeft betaald, reden waarom ik alsnog geen klacht zal neerleggen. Ik zei toch dat ik hier een mens van goeden ziele geworden ben?

Groeten, Karel.

Selectieheer

december 19, 2007

Bij gebrek aan rode draad, beginnen we maar eens met “Mtwara Close” waarin deze week Lucas centraal staat. Hij wordt vandaag 4 jaar en geeft een groot verjaarsdagsfeest. Normaal worden dan alle kinderen van de klas uitgenodigd. Niet zo bij Lucas. Drie vierden van zijn klas mag immers niet komen: David niet “want die hij heeft mij een kaka genoemd”, Muriel niet “want die zegt dat ik stink”, Arthur niet “want die heeft mijn appel afgepakt”, Joëlle niet “want die wil altijd met mijn fiets rijden”, enz.. Ook Victor’s liefje Emma is niet welkom “want die zaagt”. Zijn lijn is glashelder: iedereen die hem ooit eens heeft geplaagd of aan zijn kop heeft gezeurd mag thuisblijven. Populariteit kan hem gestolen worden, het aantal cadeaus dat hij daardoor misloopt ook. Zij die wel mogen komen, zijn uitverkorenen en worden ook zo behandeld. Om hen het goede nieuws te melden ging Lucas als volgt te werk. Onder het mom “ik moet je iets vertellen” leidde hij de man/vrouw weg naar een rustig plekje waar hij hem/haar samenzweerderig in het oor fluisterde dat “jij naar mijn verjaardag mag komen”. Vervolgens keek hij de gast  indringend en veelzeggend in de ogen in afwachting van het antwoord. Niemand durfde te weigeren. Verder heb ik vannacht buiten kunnen slapen. En neen, het verhaal over mijn twee vrouwelijke collega’s zat er voor niets tussen, noch andere escapades. Onze electriciteit was nog maar eens uitgevallen en ook de generator liet het afweten met oververhittingsverschijnselen. Geen stroomvoorziening en dus ook geen air conditioning. Bij een temperatuur van 30°C (sorry, ik kon het niet laten) en een vochtigheidsgraad van 90% ondraaglijk om te slapen. Ik ben dus maar gewoon buiten gaan liggen, op mijn luchtmatras onder de blote sterrenhemel, met de koelte van de Indische Oceaan bries op mijn lijf… en het geluid van duizenden krekels, kikkers en zwerfhonden op de achtergrond. Ik heb goed geslapen, zij het dat ik door grasvlooien ben ontdekt en ik nu vol met kleine rode vlekjes sta. 

Lees de rest van dit artikel »

Vrouwelijke collega’s

december 7, 2007

Dit stukje gaat over twee collega’s, Joy en Leah. Ze hebben veel gemeen: advokaat, 30 jaar, Tanzaniaans, gefortuneerde ouders, intelligent, opgeleid in Engeland en de USA, ambitieus, zelfstandig, vrijgezel en … mooi.  Ze delen een bureau, naast dat van mij. Met voorsprong maakt dat onze gang de mooiste van het kantoor. De laatste tijd hebben we wat meer contact en we komen goed overeen. En ik doe met hen wat ik in Belgie altijd al met toffe collega’s heb gedaan. In de week gaan we al eens lunchen en in het weekend gaan we al eens naar hetzelfde feestje of naar dezelfde kroeg. Of we verschijnen al eens op een corporate coktail om te netwerken en ons kantoor te promoten. Niets speciaal dus, ware het niet dat ik een blanke expat ben en zij aantrekkelijke Afrikaanse vrouwen zijn. Die witbruine coalitie heeft een perceptieprobleem, eigen aan mijn leventje hier.

De perceptie is dat witte expat wel een affaire zal hebben hebben met dat lekkere bruine snoepje (of toch minstens sex) en dat zij dat node toelaat in haar zoektocht naar een beter leven. Die perceptie leeft zeer sterk onder de expat mannen. Zo liep ik samen met Joy zaterdagavond op een feestje een Franse kennis tegen het lijf. Hij monsterde haar van boven tot onder… haar strakke jeans, topje, stralende ogen, naaldhakken. Hij keerde zich naar mij en grijnsde… “pas mal… comme elle est bien foutue” en dan het onvermijdelijke “hein, tu la baise non?”. Ik glimlachte. “Ah … les Belges vous etes tous des couchons… merde, elle est vraiment belle”. Ik glimlachte opnieuw en stelde hem toch maar gerust “Non, non … je n’ai rien avec elle … c’est juste un confrere du bureau…”. Hierop begon hij luidop te fantaseren … “Quelle queue, nondedjeu… hein … moi je veux bien la baiser… regarde ca … “. Ik grijnsde veelbetekend. Joy had natuurlijk alles aanhoort en kwam tussen. “Hey, you … I understand French you know”. “Hein? … fuck! … I see”. We hebben hem die avond niet meer terug gezien. 

Die perceptie leeft ook bij de expat vrouwen. Op hetzelfde feestje, sta ik met Joy aan de toog een pintje te drinken. In de voormiddag ‘s was ik nog met Leen en de kinderen naar een Sinterklaasfeestje gegaan, een gelegenheid waarop alle Belgische en Nederlandse gezinnen van Dar es Salaam uiteraard braafjes en overgelukkig staan te blinken van zoveel kinder- en familievreugde.  Je praat een beetje links en rechts, je knikt eens naar die of die, je kent dat.  Aan de toog wordt plots op mijn schouder getikt. Ik draai me om en kijk recht in het gezicht van een van de Belgische moeders, en haar echtgenoot, die ik ‘s morgens ook had gezien. Op dat anderhalf jaar dat we hier zijn hebben die mensen nog nooit tegen mij gesproken… tot zaterdagavond dus … “Hey… euh … [ze kennen immers niet eens mijn naam] … salut… ca va bien? [terwijl ze over mijn schouder naar Joy kijken]“. “Oui, euh, je crois bien … et vous” antwoord ik … waarna ze zich omdraaien en in de menigte verdwijnen.  De boodschap was niet mis te verstaan. 

Het kan ook subtieler. Op woensdag was ik met Leah op een corporate coktail. We drinken een glaasje, lopen eens langs de eetstandjes en blijven hier en daar bij verschillende groepjes wat kletsen.  Uiteraard stel ik mijn collega voor aan het gezelschap dat zich vriendelijk maar iets terughoudend ook voorstelt. Er valt een kleine stilte. Ze wordt plots met luide stem doorbroken: ”So, Karel, how is your beautiful wife doing? And your lovely children? Everything ok?”. De Belgische man in kwestie grijnst. Ik en Leah ook. ”Yeah … thanks for asking, they are fine yes… well Leen is a bit sick. The kids too. That is why she is not here. Unfortunately. So I asked my colleague Leah, who was still in the office working late, if she wanted to join me… So what about yourself? Busy as usual?”.  Het gesprekje ging verder zijn gang, je weet hoe dat gaat. 

Eigenlijk is die perceptie niet zo fijn. Niet voor mezelf omdat ik me toch voor een deel moet gaan verantwoorden.  Dat moest ik op een corporate receptie in Brussel helemaal niet. Het is ook niet fijn voor mijn Tanzaniaanse collega’s die als het ware moeten gaan aantonen dat ze wel degelijke een advocates zijn en dat ze voor de rest geen andere kwade bedoelingen hebben. Ook voor Leen is het niet leuk. Zij moet immers die stilzwijgende, medelijwekkende blikken trotseren van die andere, brave en gelukkige, expat vrouwen. En wat moeten Victor en Lucas niet denken? Zullen zij later op school gepest worden door de kinderen van de brave papa’s? En wat met mijn moeder… die al mijn verhalen leest en steevast in HOOFDLETTERS een commentaartje post. Schaamt zij zich voor haar zoon? Voelt zij zich mislukt in mijn opvoeding? Het zou zomaar kunnen.  

Het ontbreekt veel expats gewoon aan een open, niet vooringenomen geest. Joy en Leah kunnen daarover meespreken. Ze hebben beiden meer dan 10 jaar in het Westen gewoond en zijn naar hun moederland teruggekomen, vol ambitie en hoog opgeleid. Weinig mannen weten dat. Ze gaan er doorgaans vanuit dat Tanzaniaanse vrouwen nog nooit hebben gereisd, alleen Swahili spreken, laag geschoold en gemakkelijk te krijgen zijn. Dat leidt tot genante situaties. Terug naar zaterdagavond voor een laatste voorbeeld. Na de Fransman, test ook een Nederlandse kennis zijn geluk bij Joy. Hij polst eerst bij mij naar de aard van onze relatie. Wanneer ik hem verzeker van de zuiver professionele aard ervan, ziet hij zijn kans.  Na een monoloog over zijn werk hier, in zeer rudimentair Engels, complimenteert hij Joy met haar zogezegde uitstekende Engels. Zij wuift het compliment van de hand. Hij insisteert. “No, rielli, joe spiek veri guud inglies”. Ik grijns, Joy een heel klein beetje. ”Joe very guud inglies… joe must bie a veri intelligent girl” … ”Veri intelligent”. Niet goed bezig maat, hoor ik mezelf denken maar het is te laat. Joy blaast en bliksemt hem neer ”Well, maybe that is because I spent 11 years in the UK… What do you think?”.  Ook die hebben ze moeten afvoeren. 

Dus, heren expats, niet alle mooie Tanzaniaanse vrouwen zijn lekkere bruine snoepjes waar je eens mag aanzitten. Sommige onder hen zijn niet wat ze lijken te zijn. Voorzichtigheid en research is dus geboden als U niet ongelooflijk wil afgaan. Aan de expat vrouwen, dezelfde boodschap. Een “It is not what you think it is” gaat in sommige gevallen echt wel op. Die waarschuwende vinger of vernietigende, jaloerse blik is niet altijd gepast.

Die houden we beter voor mijn soap “Mtwara Close”. Daarin speelde deze week Victor de hoofdrol. Hij bekende dat hij voor het eerst een meisje heeft gekust. “Emma” heet ze en … ze is eigenlijk het liefje van Victor’s beste vriend Ewan. Victor heeft me ook voorgedaan hoe hij haar heeft gekust … mond half open, tong half eruit en hard de lippen tegen elkaar duwen. Hij vond het wel fijn maar het kriebelde nog niet in zijn buik. Overigens jongens mogen elkaar niet kussen “want dat stinkt”. Meisjes mogen elkaar misschien wel kussen … maar uiteindelijk toch ook niet want “ook dat stinkt”.  

Tot slot, nog een nieuwsje uit de krant. In het Muhimbili Orthopaedic Institute (volgens vele Tanzanianen het beste ziekenhuis van het land) hebben ze zich pijnlijk vergist.  De heer X moest een kleine ingreep aan de knie ondergaan. De heer Y was er ernstiger aan toe. Hij had een grote hersentumor die helemaal moest worden weggesneden. Bij het binnenrijden van de operatiezaal zijn ze verwisseld. De heer Y heeft dus een nieuwe knie gekregen (maar is met zijn tumor blijven zitten) en bij de heer X hebben ze de helft van zijn gezonde hersenen eruit gehaald (ondanks zijn pijnlijke knie). Ondertussen is de heer Y overleden en moet de heer X  als een plant verder door het leven. Het MOI heeft zich verontschuldigd en beloofd dat ze de patienten voortaan beter zal labelen. Voor alle zekerheid zullen wij toch maar naar IST Clinic blijven gaan.      

Groeten, Karel.     

  

Aasgieren

november 26, 2007

Vandaag wordt het geen leuk verhaal. De wekelijkse uitzending van “Mtwara Close” wordt onderbroken, gelet op de omstandigheden. Het zit namelijk zo. 

In “a friend of Haydom en zoveel meer” van 8 oktober 2007 schreef ik: ”Verhaallijn 1: tuinier/nachtwaker John wordt uit het voormalige ouderlijk huis gezet door zijn broers en zussen die het huis willen verkopen. John wil het huis zelf wel kopen maar wil daarvoor 2.500 dollar bij ons lenen. We hebben geweigerd”. Ik dacht niet dat ik daar ooit nog op zou (moeten) terugkomen.

Een tweetal weken geleden sprak John ons opnieuw aan over het huis. Uit zijn warrige uitleg begrepen we dat zijn ouders al 10 jaar waren overleden en dat hij daar sindsdien gratis woonde. Hij verhuurde blijkbaar ook een kamer van het huis en hield de opbrengst daarvan voor zichzelf. Dat was een doorn in het oog van de broers en zussen die het huis wilden verkopen. Hij vroeg ons opnieuw om financiele steun. We legden hem uit dat dat onmogelijk was maar dat ik wel bereid was om hem juridisch bij te staan om ervoor te zorgen dat hij zou krijgen wat hem toekwam. Hij liet me een aantal documenten achter die ik met collega’s doornemen, mijn juridisch swahili is immers nog niet optimaal. Ik vergat de documenten mee naar kantoor te nemen.

Woensdag kwam John niet opdagen. Zeer ongebruikelijk. Hij had nog geen enkele dag verstek laten gaan, hij was ook altijd stipt op tijd. Hij had een GSM maar hij had ons niets laten weten. Onze andere mensen wisten ook van niets. De nieuwe nachtwaker Leivson, die normaal net twee dagen verlof had, werd opgetrommeld om John te vervangen. Op donderdag nog steeds geen John, nog steeds geen nieuws. Onze diefstal van eerdere weken geleden en de daaropvolgende verdwijning van nanny Grace in het achterhoofd, controleerden we of er in het huis iets was verdwenen. Niet dus. Vrijdagvoormiddag stuurden we ongerust onze dagwaker/tuinier Justin op pad om John thuis te gaan zoeken. Misschien had hij wel een ernstige malaria aanval gekregen en kon hij ons daarom niet verwittigen? 

Justin was nog onderweg toen we een telefoontje kregen van Ali, een Libanese vriend die hier een bedrijf runt en die ons John aan de hand had gedaan. John was immers de broer van een van Ali’s beste werkkrachten. De familie van John had Ali gebeld met de het verzoek om ons te contacteren … John was dood… hij had zich opgehangen na een uit de hand gelopen ruzie met de familie … over de verkoop van het ouderlijke huis.  We stonden en staan nog steeds perplex. John is er niet meer. Dinsdag nog aan onze poort, vandaag aan die van Sint-Pieter.  Hij zal ongetwijfeld binnen mogen want hij was een goed mens.

Het doet wel vragen rijzen. Hadden we hem toch niet beter moeten helpen? 2.500 dollar is nu ook niet onoverkomelijk. Of, belangrijker, hadden we zijn vraag om hulp niet beter moeten kunnen inschatten? Maar kan dat wel? Ik word constant, zowel op kantoor als prive, aangesproken door mensen die problemen hebben en geld vragen. Alle expats maken dat mee. We ontwikkelen daarvoor een soort beschermingsmechanisme, van regeltjes en principes. Donderdagavond, dus voor ik het wist van John, sprak ik daar nog over met twee vrienden. De ene weigerde een lening op een lening. Hij kende dus geen nieuwe lening toe als niet eerst de vorige lening was terugbetaald. De andere kende geen lening toe boven het bedrag van het maandelijkse salaris van de betrokkene.  Mathematische regeltjes die ervoor zorgen dat je niet over het onderliggende probleem zelf hoeft na te denken maar die wat mij betreft in de praktijk niet werken. Een voorbeeld.

Een tijdje geleden leenden we nachtwaker Crosby een som van 100.000 Tsh, net iets meer dan zijn maandsalaris, terug te betalen over tien maanden. De andere 100.000 Tsh. die hij nodig had, deden we hem cadeau. Het was voor de goede zaak: de scholing van zijn dochter, zowat het enige middel voor de Tanziaan om zich aan zijn armoede te onttrekken. Worden bovenvermelde regels toegepast, dan hoeft Crosby de eerste 10 maanden niet meer aan te kloppen, wat ook de moeilijkheden mogen zijn. Enkele weken later was het echter al prijs, Crossby’s vader werd ernstig ziek. ”Boss, problem, father is very sick… would like loan for medicine”. Kostprijs 50.000 Tsh. Ben je wel bereid om de dochter te helpen maar laat je de oude man lijden? Niet dus, we kenden ook die lening toe. Spijtig genoeg hielpen de medicijnen niet meer en overleed de man… ergens in een dorpje in Malawi. “Problem, boss, father died … I am the only son, want to go home to pay respect to my mother, want to visit the grave”. Kostpijs voor een busticket … meer dan 100.000 Tsh. Lening nummer 3 was een feit. Het aantal toegelaten leningen was daarmee ruimschoots overschreden, het toegelaten te lenen bedrag uiteraard ook. Maar Crosby had problemen en we hebben hem geholpen.

De volgende die - ”problems, boss” - kwam aankloppen was John. We hebben hem afgescheept. Ondertussen is Crossby ontslaan (doch niet zonder eerst zijn schulden kwijt te schelden) en is John dood.  Het stemt tot nadenken. Nog dit … luttele uren nadat we het nieuws hadden vernomen, zijn we, via Ali, door de familie telefonisch gecontacteerd… dat ze het geld wel zouden komen afhalen. Welk geld … riep ik gedegouteerd tegen Leen die de telefoon had beantwoord. De familie was ervan overtuigd dat John bij ons een spaarpotje had bijgehouden … dat geld dus … en daarbovenop zijn salaris van november, het is immers bijna het einde van de maand. Onvoorstelbaar toch … als in een nationaal wild park… de prooi is nog maar net opengereten en de aasgieren cirkelen al boven het karkas. We proberen ze te verjagen. 

Volgende week pak ik de draad weer op met een ongetwijfeld veel opbeurender verhaal. John, bedankt en het ga je goed. 

Groeten, Karel.                 

Voeling houden met het thuisfront

november 19, 2007

Er zijn twee soorten expats. De eerste wil niets meer met zijn vaderland te maken hebben. “Het trekt daar toch allemaal op niets”, reden waarom hij er op een dag is weggegaan. Hij keert ook nooit meer terug. Hij is “ontheemd”. De tweede soort houdt betere herinneringen over aan het thuisfront. Hij heeft er nog vrienden en familie wonen en ziet zijn buitenlands avontuur als een boeiend maar tijdelijk zijsprongetje. Hij gaat ervan uit dat hij op een dag terugkeert. Ondertussen probeert hij voeling te houden met het thuisfront. Dat kan op vele manieren.

Culinair, bijvoorbeeld. Het aantal kilo’s eten dat de expats meebrengen na een bezoekje aan het thuisland is “boulemisch” … om toch maar in het verre Afrika dezelfde worst, kaas, chocolade of olijven te kunnen eten als voorheen. Met de kerstperiode voor de deur die vele expats thuis doorbrengen, is er in Dar es Salaam dan ook een bagageoorlog losgebarsten tussen de grootste luchtvaartmaatschappijen die op Europa vliegen. Voorheen hield elke maatschappij het bij 30 kg bagage per persoon in economy class. Tot enkele weken geleden, toen de rush op de kersttickets goed op gang kwam, Swiss Air met veel bombarderie aankondigde haar luggage allowance op te trekken naar 40 kg. Zoiets gaat als een lopend vuurtje door de expat community, 10 kg extra per persoon! Weet U hoeveel worsten dat zijn? Iedereen naar Swiss Air dus, tot groot ongenoegen van concurrent KLM … die nog in dezelfde week haar allowance verhoogde tot 46 kg! Onze ticketten zijn alvast geboekt, samen goed voor 184 kg worst.

Reizen is gelukkig niet de enige manier om aan je favoriete eten te komen. Veel mensen kennen is een andere. Ambassadepersoneel, bijvoorbeeld. Zij kunnen op een snelle en goedkope manier goederen invoeren. En als je geluk hebt, dan mag je al eens bij hen aan tafel komen aanschuiven… om 10 kg mossels te verorberen. Woensdag opgevist uit de Noordzee, donderdag overgevlogen naar Dar es Salaam en vrijdagavond tijdens een gezellig etentje in select gezelschap opgediend door de fantastische Peggy. Vorig jaar waren we er niet bij (zie artikel “Blonde Leffe” van 16 november 2006), dit jaar wel. Ook het hebben van vrienden die werken bij bedrijven die events sponsoren is meegenomen. Zij kunnen immers je naam op de gastenlijst krijgen, van de voorstelling van de nieuwe Beaujolais Nouveau 2007 bijvoorbeeld. Een drink- maar vooral eetfestijn met de beste Franse kasen en charcuterie. De 650 toegangskaarten zijn dan ook zeer gegeerd . Met dank aan KLM/Air France, met voorsprong de beste luchtvaartmaatschappij, zullen we er volgende week bij zijn.

Ook cultureel wil je voeling houden met het thuisfront. Daarin ben ik heel gulzig. Ik lees elke dag de Standaard online. Ik ontvang elke week, zij het met enige vertraging, de HUMO. Op kantoor luister ik via internet naar Studio Brussel. ’s Avonds blijf ik dankzij BVN en de Rode Loper op de hoogte van de laatste stuiptrekkingen van “Ik heb je weer ontmoet, Christine…” Will Ferdi of “Que sera sera” Jo Leemans. In het weekend bekijk de Parelvissers op DVD. En vorige week … ging ik naar de dertiende editie van het Nederlandse Smartlappenfestival in Dar.

De aankleding was fantastisch: aan de ingang een houten brug met eronder enkele waskuipen water… het Amsterdamse grachtengevoel weet U wel, in de zaal twee grote molens met verlichte wieken, een presentator op klompen. Een tiental inzendingen streden om de eeuwige roem: Conny Vandenbos (“Man van mijn hart”), Zangeres Zonder Naam (“Ik heb eerbied voor jouw grijze haren”), Koos Alberts (“Ik verscheurde jouw foto”), Marco Borsato en Trijntje Oosterhuis (“Wereld zonder jou “), Gus Meeuwis en andere toppers. Mijn persoonlijke favoriet, en uiteindelijk goed voor de tweede plaats, was een soort Supremes imitatie door drie mooie vrouwen die, op de muziek van Willy & Willeke Alberti’s “Niemand laat zijn eigen kind alleen”, ons zware expat leven als volgt bezongen:

Strofe 1: Niemand hier in Dar is ooit op tijd – In files ben je heel wat uren kwijt – Bedelaars, verkeersagentenIedereen die wil mijn centen – En mijn zijspiegels zijn weer eens kwijt

Refrein: Niemand is gelukkig hier in Dar – Het is nu eenmaal veel te warm, vandaar – Askari [nvdr: bewaker], expat, arm en rijk – Wat dat betreft zijn we gelijk – ’t Leven is er ongelooflijk zwaar

Strofe 2: Niemand laat zijn eigen huis alleen – Er staat een hele dikke muur omheen – Dus vol vertrouwen op vakantie – Knight Support [nvdr: bewakingsfirma] blijkt geen garantie – Alles weg, dat is toch heel gemeen

Refrein

Strofe 3: Niemand houdt er van malaria – Toch is het hier op de peninsula [nvdr: wijk waar meeste expats wonen] – RVF [nvdr: Rift Valley Fever, een vuile ziekte] tsee tsee en slangen – Of door bilharzia [nvdr: dodelijke parasiet] bevangen – Ik ga maar weer naar Yp en Belia [nvdr: 2 Nederlandse dokters]

Refrein

Strofe 4: Niemand heeft umeme [nvdr: electriciteit] in mijn straat – TANESCO [nvdr: electriciteitsleverancier, monopolist] lost het op, maar is weer laat – Ondanks luku [nvdr: pre-paid electriciteitskrediet], generator – Geen plezier, want geen vibrator [nvdr: soort banaan]- Kan veel hebben – maar ben nu echt kwaad

Refrein (meerdere keren vanwege groot succes)

Het absolute hoogtepunt van de avond was evenwel een fantastische Andre Hazes-imitator die helemaal uit Maastricht door KLM was ingevlogen. Zijn zwarte broek, zwart hemd, donkere zonnebril en gouden halsketting waren nog OK … maar met zijn dikke zwarte leren jas en dito hoed had hij zich toch wat mispakt aan de tropische hitte en vochtigheid van Dar es Salaam. Het optreden was perfect. “Een beetje verliefd”, “Amor amor amor”, “Zij gelooft in mij”, “Buona sera/oh Marie”, “Zeg maar niets meer” …. luidkeels meegeschreeuwd door een 150-tal Nederlanders en, ik geef toe, uw dienaar. De ene gratis meter “Amstel pils” na de andere werd doorgegeven. “En waar zijn die handjes in de lucht?”… “Hier, Andréééé”… ik pleit opnieuw schuldig. Het heeft ons een uitnodiging opgeleverd om volgend jaar ook een nummer te brengen… “want er zijn toch ook héééél veel leuke Vlaamsche liedjes, niet?”. Voor de rest kan ik bevestigen wat Karel De Gucht deze week in de krant poneerde, in het buitenland maken ze zich inderdaad vrolijk over de Belgische formatiecrisis. Zeker de Nederlanders die een annexatie van Vlaanderen wel zien zitten. We hebben alvast een naam voor het verenigde land bedacht. “Vlaland” of “Holderen”, dat moet nog in een referendum worden uitgemaakt. Alleen… “jullie Rode Duivels hoeven we niet hoor”.

Genoeg over het thuisfront. Het leven in onze soap “Mtwara Close” stond immers ook niet stil:

-         Verhaallijn 1: nachtwaker Crosbye verdwijnt van het scherm. Na twee eerdere waarschuwingen, was hij vorige week nog maar eens in slaap gevallen. Niet om 03.00 of 04.00 ‘s nachts of zo, wel om 21.30 en dat terwijl zijn shift pas om 19.00 begint. En niet ergens discreet in een hoekje of zo, maar wel op 2 stoelen in het midden van de oprit, op nog geen 20 meter van waar we ’s avonds al eens buiten zitten. Het is de laatste keer gebleken.

-         Verhaallijn 2: met het vertrek van Crosbye, doet “Leivson” zijn intrede. Onze nieuwe wachtwaker maakte al meteen indruk. Hij vroeg om een fluitje (om ons bij gevaar te kunnen wakker maken en waarschuwen), een katapult (om mogelijke dieven van op afstand uit te schakelen) en een pijl-en-boog (om ze van dichterbij uit te schakelen). Ik gaf hem één instructie:  “Leivson, never ever sleep … the only thing you have to do is stay awake and stay alert!”. Twee dagen later was het al zover. Om 04.00, in de gietende regen, maakte Leivson ons wakker … “come out, problem, powa, powa … electricity, fire”. Leen was net iets sneller uit bed dan ik (waarna ik besloot om toch maar te blijven liggen) en verdween in de tuin. De hoofdelectriciteitskabel die onze buurt bedient en die over ons huis loopt was door de storm en de blikseminslag ontploft en doorgebrand en lag in onze tuin te slingeren, te vonken en te gensteren. Leivson en Leen, zo heeft ze me de volgende dag verteld, hebben dat koelbloedig opgelost waarna we bijna een week zonder electricitiet hebben gezeten. Ondertussen is alles bijna hersteld.

-         Verhaallijn 3: tijdens het opdraaien van de parking van mijn vaste lunchstek, hotel Movenpick, streelde ik in quasi stilstand met de zijkant van mijn auto de hoek van de bumper van de auto voor me. Ik zou het niet eens gemerkt hebben indien mijn passagier Bart er me niet attent had op gemaakt. Het “slachtoffer” had het wel gezien (als hij het al niet had uitgelokt door een beetje achteruit te bollen) en sprong uit zijn wagen. “I am calling the police!”. “You destroyed my car!”. “I am taking your license plate”. “Don’t you move your car”. Aangezien het verkeer ondertussen al hopeloos in de knoop lag, reed ik alsnog de parking op. Met veel misbaar deed hij hetzelfde en hij wees me de zogenaamde schade aan zijn bumper aan: een oud wrak dat nog met haken en ogen aan elkaar hing en waarop geen spatje verf meer te bespeuren was. “You see!”. Ik kreeg het moeilijk en toonde hem de zijkant van mijn auto… boven het achterwiel niets … aan de zijkant niets … aan de voorkant … “aha you see … big damage” … een deukje van meer dan een jaar oud, op een plaats waar ik hem onmogelijk kon geraakt hebben. Ondertussen kwamen de voituriers van het hotel kijken. Ik noteerde hun namen en telefoonnummers en liet hen vaststellen dat er aan mijn auto niets te merken was en dat de “schade” aan de andere auto reeds jaren oud moest zijn. Het slachtoffer droop af, onnozel manneke. Ik noteerde nog snel zijn nummerplaat. Je weet maar nooit.

-         Verhaallijn 4: Bert, een toffe Nederlandse 27-jarige sportleraar, komt voor een tijdje in onze guestwing wonen. Als vrijwilliger op een Tanzaniaanse basisschool, maar waarschijnlijk vooral als gierige Nederlander, wil of kan hij niet veel geld dokken voor een deftige woonst. We hebben ons groot hart laten zien en hebben er nu dus een bewoner bij.                 

Tot volgende week.

Groeten, Karel              


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.